Feiten en Weetjes

Het Nederlands Instituut voor Scheeps- en onderwater Archeologie (NISA) in Lelystad heeft het bouwontwerp voor de Kamper Kogge gemaakt. Dit is gebaseerd op het wrak van een kogge uit 1340 (de romp) en komt hiermee overeen met een nauwkeurigheid van 95 procent. Van het wrak is eerst een schaalmodel gemaakt van 1 op 10. Daarna is de Kamper kogge van 1994 tot 1998 op ware grootte nagebouwd

Scheepstype
Een kogge is een middeleeuws scheepstype, dat vanwege de ruime capaciteit veelvuldig werd gebruikt door handelaren tussen de Hanzesteden om goederen mee te vervoeren.

Bouw- en vaargegevens Kamper Kogge
Voor de bouw van de kogge is 150 kubieke meter eikenhout gebruikt afkomstig uit Denemarken, Frankrijk en Nederland.

Aan de bouw werkten vier jaar lang gemiddeld ongeveer twaalf mensen (bouwmeester, leermeester en leerlingen).

  • lengte volgens meetbrief: 19,90 meter
  • grootste breedte: 7,56 meter
  • diepgang: 1,90 meter
  • gewicht: 45 ton
  • waterverplaatsing inclusief ballast: 70 ton
  • laadvermogen: 60 ton
  • snelheid (bij zeilen): gelijk aan de windsnelheid in knopen
  • aan de wind capaciteit: 70 graden
  • mast: douglasspar uit de Ardennen, 98 jaar oud, lengte 22,40 meter, gewicht 2500 kilo, diameter op dekhoogte 43 cm
  • ra: douglasspar, lengte 13,10 meter
  • zeil: 144 vierkante meter (schoverzeil 72 vierkante meter plus drie bonnetten 72 vierkante meter). Met handspaken gestoken in het braadspil wordt het zeil al draaiend gehesen
  • ballast: 40 ton lood
  • verder: 10.000 naainagels (handmatig gesmeed), 16.000 sintels, 25 blokken van essenhout met een schijf van perenhout en as van buxus
  • motoren: 2 mitsubishi dieselmotoren á 90 pk
  • maximale snelheid (op de motoren): 8 knopen (15 km/u)

Hoe snel vaart de Kamper Kogge?
Onder zeil heeft de Kamper Kogge een snelheid gelijk aan de windsnelheid. De gemiddelde snelheid is ongeveer 4 tot 5 knopen (zeemijl per uur). Dat is ongeveer 7,5 tot 9,3 km/uur (1 Kn / Knoop = 1.852 Kilometer (km/h)) . Om de gemiddelde snelheid ook bij weinig wind te halen, kunnen de motoren worden aangezet om ‘bij te knopen’.

Waar komt de term ‘knopen’ vandaan?
De vaarsnelheid van een schip wordt uitgedrukt in knopen. Een knoop staat voor één nautische mijl (1852 meter) per uur. Het begrip ‘knoop’ stamt uit de middeleeuwen. Om de vaarsnelheid te meten, gooit de bemanning een plankje overboord met een touw eraan. Dat plankje blijft op die plek drijven. In het touw zit om de zoveel meter een knoop en door een bepaalde tijd (met behulp van een zandloper) de knopen te tellen terwijl het schip doorvaart, wordt de snelheid bepaald. Later is deze methode wereldwijd gestandaardiseerd: 50 voet voor de ruimte tussen de knopen en een halve minuut voor de meettijd.

Gissen buitenboord
Nog een manier om de snelheid te meten in die tijd: ‘gissen buitenboord’ oftewel ‘Dutchman’s log’. Hiervoor gooit de bemanning een plankje overboord vanaf het voorschip en meet de tijd die verstrijkt tot het achterschip het plankje passeert. Met de gemeten tijd in combinatie met de lengte van het schip wordt de snelheid berekend.

Lager- en Hogerwal
De bekende uitdrukking ‘aan lagerwal raken’ komt uit de zeilvaart. Lagerwal is de wal waar de wind naartoe waait. Wie met z’n schip dan te dicht bij de wal komt, kan haast niet meer wegvaren. Bij hogerwal werkt het omgekeerd: de wind waait in dat geval vanaf de kust wat wegvaren makkelijk maakt.

Windkracht
Op zich is een fikse windkracht geen probleem voor een stabiel en robuust zeilschip als de Kamper Kogge. De wind kan het water behoorlijk opstuwen, met als gevolg enorme golven. Vooral ‘brekers’, hoge, brekende golven met witte schuimkoppen, kunnen gevaarlijk zijn. In een open schip als de kogge kan het dan behoorlijk nat worden binnen. En dat is nog niet het ergste: spullen maar ook mensen kunnen overboord slaan en een schip kan platgaan of zelfs kapseizen. Brekers ontstaan vaak bij zeegaten of riviermondingen bij eb tegen de wind in, dus als de stroming richting zee en de golven vanaf zee elkaar ontmoeten. Dan krijg je twee tegengestelde krachten met als gevolg een concentratie van steile, brekende golven.

Golven
De maan, of beter gezegd de zwaartekracht van de maan, zorgt voor golven op de aardse zee. De maan trekt het water op aarde iets naar zich toe (vloed) maar omdat de aarde langzaam ronddraait verschuift die aantrekkingskracht steeds. Zodra de maan het water niet meer aantrekt, is het eb. Ook de wind helpt een handje mee bij de golfvorming door het water op te stuwen in een bepaalde richting. Hoe dieper het water, hoe meer ruimte het water heeft. Bij de kust is het water ondieper en heeft het dus veel minder bewegingsruimte. Dat is de reden dat open zee zelfs bij een behoorlijke deining toch goed bevaarbaar blijft. Terwijl het dichterbij de kust juist veel onstuimiger is.

Vaarsnelwegen
Net als op het land heb je op zee ook snelwegen. Deze vaarsnelwegen, compleet met gescheiden rijbanen, zijn bestemd voor de (internationale) grote scheepvaart. Vergelijk een veertiende eeuws Hanzeschip als de Kamper Kogge met het vervoermiddel over land in die tijd, paard en wagen, dan is meteen duidelijk dat de kogge niet op zo’n vaarsnelweg thuishoort. Daarom is de Kamper Kogge daarbuiten, op open zee, te vinden. Daar kan de kogge hooguit af en toe een boorplatform of visserijschip tegenkomen. Maar soms moet de kogge toch zo’n vaarsnelweg met mammoettankers, containerschepen en snelle cruisers oversteken. Om een veilige oversteek te garanderen, wordt dat ruim van tevoren gemeld en doorgegeven aan alle schepen die op dat moment in de buurt zijn.

Navigeren in de middeleeuwen
Om te navigeren zijn in ieder geval twee zaken belangrijk om te weten: de plek waar je bent en de plek waar je naartoe wilt. Hoe deden ze dat in de middeleeuwen, zonder gps, radar of computer? In die tijd bleven zeelieden vaak dicht onder de kust. Aan de hand van herkenningspunten aan wal konden ze zien waar ze waren, hoewel dat ’s nachts in het donker en bij mist natuurlijk wel erg lastig was. Ook namen ze onderweg monsters van de bodem. Door hun ervaring konden ze aan de hand van het bodemtype hun plaats bepalen.

Je plaats bepalen op zee kan als je de breedtegraad en lengtegraad weet. Voor het bepalen van de breedtegraad gebruiken middeleeuwse zeelieden het astrolabium (gradenmeter) en vanaf de veertiende eeuw ook de jakobsstaf (gradenstok) en nog weer later de sextant. Deze instrumenten meten de hoek tussen de zon of poolster en de horizon.

Koers bepalen gebeurt – bij helder weer – met behulp van de zon en de sterren. En met nog een heel belangrijk hulpmiddel, ontwikkeld in de twaalfde eeuw: het magnetisch kompas.

‘Hondenwacht’
De Kamper Kogge vaart op de Oost- en Noordzee ook snachts. De bemanning wordt dan opgedeeld in wachtploegen. Klokje rond staan drie wachten van vier personen paraat. Het schema ’s nachts is drie uur op en zes uur af en overdag vier uur op vier uur af. Op deze manier wordt de ‘hondenwacht’, dat is de lastige wacht tussen 00.00 en 04.00 uur, het eerlijkst verdeeld.